Blaasstenen of nierstenen bij hond en kat: wat is het verschil?

4 weergaven
Een ontspannen tijgerkat op een onderzoekstafel met een dierenarts en een echotoestel op de achtergrond

“Mijn hond heeft stenen. Dat is zeker hetzelfde als nierstenen bij mensen?” Het is een begrijpelijke vergelijking. Veel mensen kennen iemand die een niersteen heeft gehad en denken meteen aan hevige pijn en een steentje dat moet worden uitgeplast. Maar als de dierenarts bij je hond of kat blaasstenen vaststelt, gaat het om een andere plaats in het lichaam. En die plaats maakt een groot verschil voor de klachten, de risico’s en de behandeling.

Honden en katten kunnen zowel blaasstenen als nierstenen krijgen. Een blaassteen is niet automatisch een niersteen die naar beneden is gezakt. Om te begrijpen wat je dier heeft, zijn vooral twee vragen belangrijk: waar zit de steen en waaruit bestaat hij?

Eerst de route van de urine

De urinewegen vormen één verbonden systeem, met verschillende onderdelen die elk hun eigen taak hebben:

  • De nieren filteren het bloed en maken urine.
  • De urineleiders voeren urine van de nieren naar de blaas. Elke nier heeft haar eigen urineleider.
  • De blaas slaat urine tijdelijk op.
  • De plasbuis voert urine vanuit de blaas naar buiten tijdens het plassen.

De volgorde is dus: nieren → urineleiders → blaas → plasbuis → buiten.

Doorsnede van een hond met twee nieren, twee urineleiders naar de blaas en één plasbuis naar buiten. Pijlen tonen de richting van de urine.
Schematische voorstelling bij een hond (teef). De urine stroomt van de nieren via de urineleiders naar de blaas en vervolgens door de plasbuis naar buiten. Bij katten geldt dezelfde volgorde. Klik op de tekening om te vergroten.
Onze grijsbruine referentiekat met twee nieren, twee urineleiders, de blaas en de plasbuis. Pijlen tonen hoe urine naar buiten stroomt.
Dezelfde route bij onze referentiekat: nieren → urineleiders → blaas → plasbuis. Schematische voorstelling van een vrouwelijke kat; de plasbuis van een kater is langer en nauwer. Klik om te vergroten; sluit het beeldvenster om verder te lezen.

Een urineleider en een plasbuis zijn niet hetzelfde. De eerste ligt tussen nier en blaas; de tweede begint bij de blaas en eindigt buiten het lichaam. Een verstopping op die twee plaatsen heeft daarom andere gevolgen. Cornell University legt de opbouw van de urinewegen uit.

Waarom de vergelijking met menselijke nierstenen niet helemaal klopt

Bij mensen ontstaat een niersteen in de nier. Een steen die naar de urineleider verschuift en daar vastloopt, kan de urineafvoer hinderen en veel pijn veroorzaken. Niet iedere niersteen geeft echter zo’n pijnlijke aanval: kleine stenen kunnen ook ongemerkt passeren. Dat bekende verhaal over “nierstenen uitplassen” beschrijft dus slechts een deel van wat er kan gebeuren. Bron: NIDDK.

Bij een hond of kat met blaasstenen zitten de stenen in het urine-opslagreservoir. Je kunt daaruit niet afleiden dat er ook stenen in de nieren zijn. De vergelijking met een menselijke niersteen helpt misschien om te begrijpen dat urinestenen pijn kunnen doen, maar voorspelt niet welke behandeling jouw dier nodig heeft.

Wat merk je van blaasstenen?

Blaasstenen kunnen de blaaswand irriteren en ontsteking veroorzaken. Typische signalen zijn bloed in de urine, vaker kleine plasjes doen, persen of zichtbaar ongemak tijdens het plassen. Een zindelijke hond kan plots in huis plassen; een kat kan herhaaldelijk naar de kattenbak gaan.

Sommige stenen veroorzaken weinig duidelijke klachten. Andere verplaatsen zich naar de plasbuis en blokkeren daar de uitgang. De grootte van een steen vertelt daarom niet het hele verhaal: ook een kleine steen kan gevaarlijk worden wanneer hij op een nauwe plaats vastloopt. Bron: American College of Veterinary Surgeons.

Plasklachten betekenen bovendien niet automatisch dat er stenen zijn. Bij katten kan bijvoorbeeld ook blaasontsteking zonder aantoonbare infectie of steen spelen. Een verstopping kan behalve door stenen ook door ander materiaal ontstaan, zoals een prop met slijm en kristallen. Vooral katers zijn kwetsbaar door hun nauwe plasbuis. Bron: Cornell University.

Wanneer moet je meteen naar de dierenarts?

Probeert je hond of kat herhaaldelijk te plassen, maar komt er niets of slechts enkele druppels? Neem onmiddellijk contact op met een dierenarts of spoeddienst. Enkele druppels zijn geen geruststelling wanneer je dier blijft persen. Een afgesloten plasbuis verhindert dat de blaas zich normaal leegt en kan snel levensbedreigende verstoringen veroorzaken.

Wacht niet tot je dier ook braakt, suf wordt of niet meer wil eten. Kun je bij een persende kat niet onderscheiden of het probleem plassen of ontlasten is, meld die twijfel meteen bij het bellen. Laat de dierenarts beoordelen of er sprake is van een urinewegverstopping. Bron: Cornell University.

En wat merk je van nierstenen of urineleiderstenen?

Een niersteen kan onopgemerkt blijven en toevallig bij beeldvorming worden ontdekt. Zodra een steen in een urineleider vastloopt, kan urine zich boven de blokkade ophopen en kan de nier beschadigd raken. De signalen zijn soms vaag: minder eten, braken, lusteloosheid of buikpijn. Bij katten is pijn bovendien niet altijd gemakkelijk te herkennen.

Een dier met een verstopte urineleider kan nog steeds plassen. Als de andere nier urine naar de blaas blijft afvoeren, zie je nog urine verschijnen. Normaal lijken te plassen sluit een probleem tussen nier en blaas dus niet uit. Ook klachten zonder opvallend persen verdienen onderzoek als je dier zich ziek gedraagt. Bron: Merck Veterinary Manual.

Meer over deze specifieke plaats lees je in ons artikel over urineleiderstenen bij katten.

Kristallen, gruis en stenen: drie woorden die vaak door elkaar lopen

Een kristal dat de dierenarts onder de microscoop ziet, is niet hetzelfde als een steen. Het woord “gruis” wordt bovendien vaak los gebruikt en zegt op zichzelf weinig over de precieze bevinding.

Kristallen kunnen aanwezig zijn zonder stenen, en stenen kunnen aanwezig zijn zonder zichtbare kristallen. Ook kunnen tijdens het bewaren of afkoelen van een urinestaal kristallen ontstaan. Daarom telt mee hoe vers het staal is en hoe het werd bewaard. Alleen op basis van kristallen kun je niet besluiten dat een dier blaasstenen heeft, laat staan met zekerheid bepalen welk type steen aanwezig is. Bron: Minnesota Urolith Center.

Hoe onderzoekt de dierenarts het verschil?

Urineonderzoek geeft informatie over onder meer bloed, concentratie, zuurtegraad en mogelijke infectie. Zo nodig volgt een urinekweek. Beeldvorming, zoals röntgenfoto’s en echografie, helpt stenen op te sporen en hun plaats, aantal en grootte te beoordelen. Niet elke steen is even goed zichtbaar op een gewone röntgenfoto; onderzoeken kunnen elkaar aanvullen.

Bij verdenking op nierproblemen of een verstopping kan bloedonderzoek nodig zijn om de gevolgen voor het lichaam te beoordelen. Wordt een steen verwijderd of opgevangen, dan kan laboratoriumanalyse de samenstelling vaststellen. Die uitslag helpt om de verdere behandeling en preventie te kiezen. Bron: Merck Veterinary Manual.

Een afwijkende urinetest moet altijd in de context van het dier worden bekeken. Daarover lees je meer bij blaasontsteking en een positieve urinekweek.

De plaats is één vraag, het type steen een tweede

Urinestenen ontstaan wanneer stoffen in de urine onder bepaalde omstandigheden samenklonteren tot vaste structuren. Ze kunnen uit verschillende materialen bestaan en zelfs meerdere lagen met een verschillende samenstelling hebben. “Blaassteen” beschrijft dus de plaats; namen zoals struviet, calciumoxalaat, uraat en cystine beschrijven de samenstelling. Bron: Minnesota Urolith Center.

Struviet en calciumoxalaat zijn belangrijke steentypes bij katten. Struviet in de blaas kan in geschikte gevallen oplossen met een speciaal voorgeschreven dieet. Calciumoxalaat lost niet op met voeding. Bij katten zijn struvietstenen vaak niet gekoppeld aan een bacteriële infectie; antibiotica horen daarom niet automatisch bij iedere behandeling. Bron: Merck Veterinary Manual.

Waarom krijgt het ene dier dieetvoeding en het andere een ingreep?

De behandeling hangt samen met de samenstelling, de plaats, de klachten en het risico op verstopping. Bij een geschikte struvietsteen kan gecontroleerd oplossen een optie zijn. Een geblokkeerde urineafvoer vraagt eerst dringend herstel van de afvoer; afwachten tot dieetvoeding werkt is dan geen veilige aanpak.

Als stenen moeten worden verwijderd, kan dat afhankelijk van het dier via een operatie of een minder ingrijpende techniek, bijvoorbeeld met een kijkinstrument of vergruizing. Niet elke methode is bij elk dier mogelijk of in elke praktijk beschikbaar.

Een toevallig gevonden niersteen hoeft daarentegen niet automatisch verwijderd te worden. Onder meer pijn, infecties, groei en belemmering van de urineafvoer bepalen of ingrijpen nodig is. Gecontroleerd opvolgen kan soms verstandiger zijn dan behandelen. Bij een geblokkeerde urineleider is snelle beoordeling en vaak gespecialiseerde zorg nodig. Bron: ACVIM-consensus over behandeling en preventie van urinestenen.

Kun je nieuwe stenen voorkomen?

Een steen verwijderen neemt niet altijd de aanleg tot steenvorming weg. Preventie moet daarom aansluiten bij het aangetroffen steentype en de gezondheid van je dier. Het ene dier heeft vooral een aangepast dieet nodig, het andere ook behandeling van een onderliggende oorzaak. Er bestaat geen universeel “anti-stenenvoer” dat voor iedere hond of kat geschikt is.

Vraag welke voeding, snacks en eventuele supplementen bij het behandelplan passen. Een dieet voor chronische nierziekte heeft niet automatisch hetzelfde doel als een dieet voor urinestenen. Heeft je dier meerdere aandoeningen, dan moet de dierenarts die samen afwegen. Volg ook het afgesproken controleschema: minder klachten betekent niet vanzelf dat alle stenen verdwenen zijn. Bron: Minnesota Urolith Center.

Voldoende vocht opnemen kan helpen de urine te verdunnen. Bespreek bijvoorbeeld of passend natvoer of extra water door de voeding geschikt is. Zorg voor vers drinkwater en toegankelijke, schone kattenbakken. Het effect van het gekozen plan moet vervolgens met controles worden opgevolgd. Bron: Cornell University.

Lees ook onze uitleg over chronische nierziekte bij katten en nierziekten bij honden. Die aandoeningen zijn niet hetzelfde als urinestenen, al kunnen ze bij hetzelfde dier voorkomen.

Drie vragen voor je volgende consultatie

Als je hoort dat je hond of kat “stenen” heeft, vraag dan: waar zitten ze precies, welk type wordt vermoed of is bevestigd, en is de urineafvoer vrij? Daarmee wordt duidelijk waarom jouw dier een ander behandelplan kan krijgen dan een mens met nierstenen, of zelfs dan een andere hond of kat met blaasstenen.

Lees ook

Bron

Bekijk de wetenschappelijke bron