Fosfaat (fosfor) bij hond en kat: hoog of laag

Veterinair laboratoriummedewerker plaatst een bloedstaal in een klinische chemie-analyzer terwijl een kat rustig in een reismand zit.

Fosfaat staat vaak tussen de nier- en mineraalwaarden op het bloedonderzoek van een hond of kat. Een verhoogde uitslag kan passen bij een verminderde nierfiltratie, maar ook bij de leeftijd, een ernstige verstoring van de vochthuishouding of een zeldzamere hormonale of toxische oorzaak. Een lage waarde is vaak mild en tijdelijk, maar kan bij een sterke daling wel gevaarlijk worden.

De uitslag krijgt daarom pas betekenis naast de klachten, leeftijd, voeding, medicatie, andere bloedwaarden en urineonderzoek. Begin nooit zelf met fosfaatsupplementen, fosfaatbinders of een nierdieet op basis van één getal.

Wat meten fosfaat en fosfor in het bloed?

Op laboratoriumrapporten staan termen als fosfaat, fosfor, phosphate, phosphorus of alleen de letter P. Strikt genomen meet een gebruikelijke biochemische test vooral anorganisch fosfaat in serum of plasma. In de dagelijkse veterinaire communicatie worden fosfaat en fosfor vaak door elkaar gebruikt.

Fosfaat of fosfor is niet hetzelfde als alkalische fosfatase (ALP of AF), een enzymwaarde die vooral informatie geeft over galwegen en botactiviteit. Lees meer bij alkalische fosfatase.

Fosfaat is belangrijk voor:

  • de opbouw van botten en tanden;
  • ATP, de directe energiebron van cellen;
  • celmembranen, DNA en verschillende eiwitten;
  • het zuur-base-evenwicht;
  • de normale werking van spieren, zenuwen en rode bloedcellen.

Het grootste deel van het fosfaat in het lichaam zit in bot of in cellen. Slechts een klein deel circuleert in het bloed. Een bloedwaarde is daardoor een momentopname van het fosfaat buiten de cellen en geen perfecte meting van de totale lichaamsvoorraad.

Wat betekent een te hoge fosfaatwaarde?

Bij honden en katten is een verminderde uitscheiding via de nieren de meest voorkomende ziektegerelateerde verklaring. De filterbare fractie van anorganisch fosfaat wordt in de glomeruli gefilterd; een groot deel wordt daarna in de niertubuli terug opgenomen. Wanneer de glomerulaire filtratiesnelheid daalt, kan fosfaat zich in het bloed opstapelen.

Dat kan voorkomen bij:

  • acute nierschade;
  • een later stadium van chronische nierziekte;
  • een blokkade van de urinewegen of andere postrenale oorzaak;
  • ernstig vocht- of circulatieverlies waardoor tijdelijk veel minder bloed door de nieren stroomt.

Een hoge fosfaatwaarde bevestigt op zichzelf geen nierziekte. De dierenarts beoordeelt tegelijk creatinine, SDMA, ureum, de vochttoestand en het urineonderzoek. Bij vroege chronische nierziekte kan fosfaat nog binnen het laboratoriuminterval liggen.

Andere mogelijke verklaringen zijn:

  • een jonge leeftijd: groeiende pups en kittens kunnen door botgroei van nature hogere waarden hebben dan volwassen dieren;
  • een recente maaltijd, die soms een beperkte tijdelijke stijging geeft;
  • toediening of opname van veel fosfaat;
  • vitamine-D-vergiftiging, waarbij vaak zowel calcium als fosfaat stijgt;
  • ernstige beschadiging van spierweefsel of, zeer zelden, snelle afbraak van veel tumorcellen;
  • hypoparathyreoïdie, waarbij doorgaans ook calcium verlaagd is;
  • hormonale aandoeningen zoals acromegalie en soms hyperthyreoïdie bij de kat.

Hypertonische fosfaatklysma's voor mensen zijn bijzonder gevaarlijk voor katten. Opname vanuit de darm kan extreme verstoringen van fosfaat, calcium, natrium, kalium en het zuur-base-evenwicht veroorzaken. Gebruik bij een kat nooit een humaan klysma zonder uitdrukkelijke veterinaire instructie.

Waarom kan een sterke stijging schadelijk zijn?

Een sterk verhoogd fosfaat kan met calcium neerslaan in weefsels. Dat kan bijdragen aan mineralisatie van onder meer nieren en andere organen. Bij chronische nierziekte speelt een langdurig verstoorde fosfaatbalans bovendien mee in veranderingen van parathyroïdhormoon, vitamine D en botstofwisseling.

De ernst kan niet uit fosfaat alleen worden afgeleid. Calcium, nierfunctie, duur van de afwijking en de klinische toestand bepalen mee het risico.

Wat betekent een te lage fosfaatwaarde?

Een lage bloedwaarde heet hypofosfatemie. Een milde of matige daling komt bij zieke dieren geregeld voor en heeft niet altijd zelfstandige klinische betekenis. Een lage bloedwaarde betekent ook niet automatisch dat het hele lichaam een fosfaattekort heeft: fosfaat kan tijdelijk van het bloed naar de cellen zijn verplaatst.

Mogelijke mechanismen zijn:

  • minder opname: langdurig slecht eten, ondervoeding of een darmziekte met verminderde opname;
  • verschuiving naar de cellen: na toediening van glucose of insuline, bij ademhalingsalkalose of tijdens herstel van ernstige ondervoeding;
  • verlies via de nieren: onder meer bij een proximale niertubulusstoornis zoals het Fanconi-syndroom, hyperparathyreoïdie, bepaalde geneesmiddelen of osmotische diurese bij diabetes;
  • verminderde opname uit de darm: bijvoorbeeld door fosfaatbindende middelen of, zeldzaam, een probleem met vitamine D.

Een belangrijk risico bestaat bij een dier dat langdurig nauwelijks heeft gegeten en opnieuw voeding krijgt. Tijdens dit zogenaamde refeedingsyndroom kunnen glucose, insuline en celopbouw fosfaat snel de cellen intrekken. Vooral katten met leververvetting en honden of katten met ernstige ondervoeding vragen daarom een geleidelijke voedingsopbouw en laboratoriumcontrole.

Bij diabetische ketoacidose kan de totale fosfaatvoorraad verlaagd zijn terwijl de eerste bloedwaarde niet laag is. Na start van vocht en insuline kan fosfaat snel dalen, zodat herhaalde controle nodig kan zijn.

Wanneer wordt een lage waarde gevaarlijk?

Fosfaat is nodig om ATP te maken. Vooral bij een ernstige of kritieke daling zijn uitgesproken spierzwakte, darmstilstand, neurologische verschijnselen, verminderde hart- of ademhalingsspierfunctie en een gestoorde werking van bloedplaatjes of witte bloedcellen beschreven. Deze klachten zijn niet specifiek en bewijzen niet dat fosfaat de enige oorzaak is.

Een zeldzame maar levensbedreigende complicatie is intravasculaire hemolyse: rode bloedcellen worden kwetsbaar en vallen in de bloedbaan uiteen. Dat kan leiden tot snel toenemende bloedarmoede, bleke of gele slijmvliezen en roodbruine urine. Het risico is vooral relevant bij een zeer sterke hypofosfatemie, bijvoorbeeld tijdens behandeling van diabetes of bij refeeding. De dierenarts kijkt daarom naar het bloedbeeld, bilirubine, urine en het verloop van de fosfaatwaarde.

Wanneer is fosfaat meten relevant?

De waarde is onder meer nuttig bij:

  • verdenking op acute nierschade, chronische nierziekte bij een kat of nierziekte bij een hond;
  • een hond of kat die niet of nauwelijks kan plassen;
  • veel drinken en plassen, vermagering, braken of uitdroging;
  • diabetes en diabetische ketoacidose, vooral na start van insuline;
  • leververvetting bij de kat, ernstige ondervoeding of herstart van voeding;
  • onverklaarde spierzwakte, hemolyse of neurologische klachten;
  • vermoeden van vitamine-D-vergiftiging, een hormoonstoornis of tubulaire nierziekte;
  • opvolging van een nierdieet, fosfaatbinder of fosfaatsuppletie.

Welke andere waarden helpen bij de interpretatie?

Fosfaat wordt vrijwel nooit alleen beoordeeld. Belangrijke combinaties zijn:

  • creatinine, SDMA, ureum en urineconcentratie voor de nierfiltratie en vochthuishouding;
  • kalium, natrium, magnesium, glucose en het zuur-base-evenwicht bij ernstig zieke patiënten;
  • totaal en geïoniseerd calcium, omdat calcium en fosfaat nauw met elkaar verbonden zijn;
  • het bloedbeeld en bilirubine wanneer afbraak van rode bloedcellen wordt vermoed;
  • voeding, gewichtsverloop en medicatie.

Bij stabiele chronische nierziekte gebruikt de dierenarts stadiumspecifieke IRIS-doelen en seriële controles. Die doelen zijn niet hetzelfde als het algemene referentie-interval van een gezond dier. Doorgaans wordt eerst nagegaan of een passend nierdieet de fosfaatwaarde voldoende verlaagt. Blijft de waarde bij herhaalde controle boven het stadiumdoel, dan kan de dierenarts een fosfaatbinder bij het voer overwegen. Fosfaat en calcium moeten vervolgens worden gevolgd, omdat vooral katten bij sterke beperking hypercalciëmie kunnen ontwikkelen. Deze volgorde mag niet automatisch worden toegepast op een patiënt met acute nierschade in de ziekenhuisfase.

Welke valkuilen kunnen de uitslag beïnvloeden?

Referentie-intervallen verschillen per leeftijd, laboratorium, analysemethode en eenheid. Laboratoria kunnen mmol/L of mg/dL rapporteren; die getallen zijn niet rechtstreeks vergelijkbaar. Vergelijk een pup of kitten dus niet met een interval voor volwassen dieren en gebruik geen willekeurige internetgrens om een behandeling te starten.

Ook het staal telt mee. Serum of heparineplasma is geschikt, terwijl EDTA, citraat en oxalaat een vals verhoogde fosfaatwaarde kunnen geven. Als bloedcellen lang in contact blijven met serum of plasma, vooral bij warmte en slechte bewaring, kan fosfaat uit cellulaire verbindingen vrijkomen. Een opgeslagen, hemolytisch staal kan daardoor kunstmatig hoger meten.

Vraag bij een onverwachte uitslag of het staal betrouwbaar was en of herhaling nodig is.

Wanneer is snelle hulp nodig?

Zoek onmiddellijk veterinaire hulp wanneer een hond of kat herhaald perst maar geen of bijna geen urine produceert, instort, toevallen krijgt, ernstig verzwakt, benauwd wordt of roodbruine urine ontwikkelt. Neem eveneens direct contact op na mogelijke opname van vitamine-D-rattengif, een mogelijk toxische hoeveelheid van een vitamine-D-product of een fosfaathoudend humaan klysma.

Geef niet zelf fosfaat, calcium, vitamine D, een fosfaatbinder of extra infuusvloeistof. Zowel een te snelle correctie als een verkeerde behandeling kan calcium, kalium, nieren en hart belasten.

Samengevat

Fosfaat is belangrijk voor bot en celenergie. Een hoge waarde ontstaat vooral wanneer de nierfiltratie sterk is verminderd, maar leeftijd, voeding, toxische stoffen en hormonen kunnen meespelen. Een lage waarde kan berusten op minder opname, verlies of een verschuiving naar cellen. De dierenarts combineert de trend met nierwaarden, urine, calcium, glucose, elektrolyten en het klinische beeld.

Bronnen

Lees ook