Een continue glucosesensor (CGM) kan de opvolging van een hond of kat met diabetes comfortabeler en informatiever maken. Het toestel meet glucose in het weefselvocht, niet rechtstreeks in het bloed, en vervangt daarom niet in iedere situatie een bloedmeting of de beoordeling door de dierenarts.
Hoe werkt een glucosesensor?
Een klein sensortje wordt op een geschoren huidzone geplaatst. Een dun flexibel draadje onder de huid meet regelmatig de glucoseconcentratie in het weefselvocht. Veel systemen zijn voor mensen ontwikkeld en worden in de diergeneeskunde buiten de officiële productregistratie gebruikt. Hoe lang de sensor bruikbare gegevens levert, hangt af van het type sensor én van hoe goed hij bij het dier blijft zitten.
Omdat glucose eerst vanuit het bloed naar het weefselvocht moet bewegen, kunnen metingen bij snel stijgende of dalende waarden achterlopen. Vooral onverwacht lage waarden of waarden die niet passen bij hoe het dier zich voelt, moeten volgens het plan van de dierenarts met een bloedmeting worden gecontroleerd.
Voordelen en beperkingen
Een sensor toont trends over dag en nacht, waardoor schommelingen en mogelijke lage waarden zichtbaar kunnen worden die losse metingen missen. Thuis meten vermijdt bovendien een deel van de stress die vooral bij katten de bloedglucose kan verhogen. Daartegenover staan kosten, voortijdig loskomen, huidirritatie, ontbrekende meetpunten en een lagere betrouwbaarheid aan de uitersten van het meetbereik.
Een klassieke bloedglucosecurve en een CGM zijn dus geen simpele concurrenten. Welke methode het meest geschikt is, hangt af van het dier, het doel van de controle en de betrouwbaarheid van de verkregen waarden. Ook eetlust, drinken en plassen, lichaamsgewicht, urine- of ketonencontrole en eventueel fructosamine kunnen deel uitmaken van de opvolging.
Veilig gebruik thuis
Pas de insulinedosis nooit zelfstandig aan op basis van één sensorwaarde. Bespreek vooraf met je dierenarts wanneer je een bloedmeting doet, wat te doen bij een lage waarde en wanneer je onmiddellijk contact opneemt. Zwakte, beven, desoriëntatie, toevallen of bewustzijnsverlies kunnen bij een dier dat insuline krijgt op hypoglykemie wijzen en vereisen dringende hulp.
Bij katten kan diabetes soms in remissie gaan; bij honden is langdurige insulinebehandeling doorgaans nodig. Daarom moet de behandeling geregeld opnieuw worden beoordeeld. Een CGM kan daar veel informatie voor leveren, maar het behandeldoel blijft een dier met zo weinig mogelijk klachten en een zo klein mogelijk risico op hypoglykemie.