Bij het syndroom van Cushing (hyperadrenocorticisme) is het lichaam langdurig aan te veel cortisol blootgesteld. De aandoening komt vooral voor bij middelbare en oudere honden en ontwikkelt meestal geleidelijk.
Mogelijke signalen
- meer drinken en plassen;
- meer eetlust en hijgen;
- een hangbuik, spierzwakte en minder uithoudingsvermogen;
- dunne huid, symmetrische haaruitval, terugkerende huid- of urineweginfecties;
- traag herstel van wondjes of snel blauwe plekken krijgen.
Deze tekenen zijn niet specifiek voor Cushing en kunnen ook door andere ziekten of geneesmiddelen ontstaan.
Oorzaken
Bij ongeveer 85–90% van de spontaan ontstane gevallen maakt een meestal kleine hypofysetumor te veel ACTH, waardoor beide bijnieren cortisol produceren. Bij de overige honden ligt de oorzaak meestal in één bijnier. Langdurige behandeling met corticosteroïden kan een iatrogene vorm veroorzaken; stop zulke medicatie nooit plots zonder dierenartsadvies.
Waarom is de diagnose complex?
Er bestaat geen enkele losse cortisolmeting die Cushing betrouwbaar bevestigt. De dierenarts beoordeelt klachten, medicatiehistorie, routinebloed en urine en gebruikt daarna passende hormonale tests. Beeldvorming en aanvullende tests helpen onderscheid maken tussen hypofyse- en bijnierafhankelijke ziekte. Bij een zieke of sterk gestreste hond komen fout-positieve uitslagen voor, zodat onderzoek soms moet worden uitgesteld of herhaald.
Behandeling en controle
Veel honden worden behandeld met medicatie die de aanmaak van cortisol remt. Een operabele bijniertumor kan bij geselecteerde honden chirurgisch worden verwijderd; voor bepaalde hypofysetumoren zijn specialistische chirurgie of bestraling opties. Regelmatige klinische controle en bloedtesten zijn essentieel.
Neem tijdens behandeling direct contact op bij niet eten, braken, diarree, plotselinge zwakte of instorten: een te laag cortisolgehalte kan een spoedsituatie worden.