Vaccinatie beschermt katten tegen ernstige infectieziekten, maar het schema hoort bij leeftijd, gezondheid, leefomgeving, reisplannen en eerdere vaccinaties te passen. “Elk vaccin elk jaar” is geen universele regel.
Kernvaccins
Voor de meeste katten gelden kattenziekte (feline panleukopenievirus), herpesvirus en calicivirus als kernvaccins. Kittens hebben een basisreeks nodig omdat antistoffen van de moeder een vroege vaccinatie tijdelijk kunnen hinderen. Ook binnenkatten kunnen worden blootgesteld, bijvoorbeeld via schoenen, materiaal, pensionopname of een ontsnapping.
Vaccins op basis van risico
Vaccinatie tegen kattenleukemie (FeLV) is vooral belangrijk voor kittens en katten met kans op contact met katten waarvan de FeLV-status onbekend is. Testen vóór de eerste vaccinatie is aanbevolen; het vaccin behandelt geen bestaande infectie.
Rabiësvaccinatie is nodig wanneer wetgeving of reizen dat vereisen en kan ook op basis van lokaal risico worden geadviseerd. Controleer reisregels ruim op tijd, want chip, vaccinatie en wachttijden moeten correct worden vastgelegd.
FIP en FIV
De huidige internationale WSAVA-richtlijn raadt het beschikbare FIP-vaccin niet aan wegens onvoldoende bewijs van bescherming. Een FIV-vaccin is nooit in Europa toegelaten en is internationaal slechts beperkt beschikbaar; routinematige FIV-vaccinatie wordt niet geadviseerd. Risicoverlaging bestaat vooral uit verantwoord contactbeleid, testen waar aangewezen en het voorkomen van vechtwonden.
Veiligheid en opvolging
Milde sloomheid of gevoeligheid kan kort na vaccinatie voorkomen. Benauwdheid, instorten, herhaald braken of snel toenemende zwelling is spoed. Meld eerdere reacties en andere aandoeningen vóór vaccinatie aan de dierenarts. Die stelt op basis van het dossier een individueel schema met passende intervallen op.